Op het bekende schilderij Allegorie van het zicht (1618) van Jan – de fluwelen – Brueghel staat een aapje afgebeeld dat naar een schilderij kijkt. In zijn hand houdt het een bril vast. Brueghel suggereert dat een aap wel naar een schilderij kan turen, maar het onmogelijk kan begrijpen, met of zonder bril. Het aapje kijkt wel, maar het ziet niet. Brueghel plaatste zich hiermee in een eeuwenoude traditie die stelde dat enkel mensen redelijk kunnen denken. Alleen mensen zijn in staat om te reflecteren over verleden, heden en toekomst, om alternatieven tegen elkaar af te wegen, om mentale scenario’s te ontwikkelen vooraleer te handelen. Dieren daarentegen zitten gevangen in een geestelijke luchtbel, ze leven enkel in het hier en nu, hebben geen bewust besef van hun omgeving, noch van hun toekomst of verleden. De voornaamste reden hiervoor, zo redeneerde men, is hun gebrek aan taal. De Franse filosoof en wiskundige René Descartes verwoordde het in zijn Meditaties als volgt: “Het is zeer bijzonder dat er geen mensen zijn, zelfs geen krankzinnigen, die zo dom en dwaas zijn dat ze niet in staat zijn om woorden samen te voegen om hun gedachten over te brengen. Daar staat tegenover dat er geen enkel dier is (…) dat dit kan. Het komt niet omdat ze de organen ervoor ontberen, want we zien dat eksters en papegaaien evengoed woorden kunnen uitspreken zoals wijzelf, maar toch kunnen ze niet praten, in die zin dat ze met hun woorden geen gedachten overbrengen. Mensen daarentegen die geboren zijn zonder te kunnen praten of horen (….), vinden meestal toch signalen uit waarmee ze hun gedachten verstaanbaar maken. Dit bewijst niet alleen dat dieren minder redelijk zijn dan mensen; het toont zelfs aan dat dieren compleet redeloos zijn, want we weten dat er toch maar een klein beetje rede nodig is om te kunnen praten.”
Descartes’ opvatting klinkt overtuigend. Taal houdt niet alleen in dat men symbolen creëert om naar de realiteit te verwijzen, maar ook dat men die symbolen op diverse manieren combineert, zodat verschillende betekenissen ontstaan. Het woord ‘hond’ is een symbool voor een bepaald dier. In combinatie met de symbolen ‘man’ en ‘bijt’ kunnen we twee zinnen creëren: “hond bijt man” en “man bijt hond”. De symbolen zijn dezelfde, maar ze staan in een andere relatie tot elkaar, waardoor de betekenis van de zinnen helemaal anders is. Dieren, aldus de gangbare stelling, zijn niet in staat om op deze manier met symbolen om te gaan. Een dier kan het verschil niet verstaan tussen de twee zinnen. Sterker nog, een dier begrijpt niet eens dat andere combinaties, zoals “man hond bijt” of “bijt hond man” betekenisloos zijn. Bijgevolg is het uitgesloten dat hun mentale leefwereld vergelijkbaar is met het menselijk denkvermogen. Voor dat laatste is immers taal nodig, in de volle zin van het woord. Een alarmkreet van een baviaan die aangeeft dat er een roofdier in de buurt is, is geen taal. Het lied van een vogel, waarmee hij zijn territorium afbakent, evenmin. Men kan het symbolische communicatie noemen, maar de symbolen, als we dat woord hier al mogelijk gebruiken, zijn beperkt in aantal. Ze zijn ook niet bedacht door de dieren zelf, maar zijn het product van hun evolutionaire geschiedenis en worden instinctief geproduceerd. De communicatie tussen de bavianen staat in die zin dichter bij de communicatie van bijvoorbeeld insecten die feromonen uitwisselen, dan bij menselijke communicatie door taal.
Geheel anders dan bavianen of insecten, kunnen mensen virtueel oneindig veel symbolen uitvinden. Bovendien kunnen mensen, anders dan dieren, hun symbolen eindeloos tot zinnen combineren met verschillende betekenissen. Uit dit alles volgt dat ook het gedragsrepertorium van dieren beperkt is. Een hedendaags konijn gedraagt zich niet erg anders dan een konijn dat hier enkele duizenden jaren geleden rondhuppelde. Een hedendaagse mens doet ook dingen die iemand uit de prehistorie kan begrijpen, zoals eten, drinken en vrijen. Maar het meeste van wat hij doet, is onbegrijpelijk voor zijn voorouders. Hij fietst, rijdt met de auto, gaat tennissen, sluit zich op in de metro, doet aan yoga en aan Nordic walking. De menselijke mentale vrijheid zorgt, binnen bepaalde fysische en biologische wetmatigheden, voor een schier eindeloze variatie aan mogelijk gedrag. In vergelijking daarmee komen dieren er maar pover uit. Uit dit alles is al lang geleden geconcludeerd, zowel door theologen, filosofen, antropologen als natuurwetenschappers, dat mensen cultuur hebben en dieren niet. Mensen ontsnappen aan hun biologie, dieren blijven er aan vast gekluisterd.
Het klinkt zeer aannemelijk en de feiten lijken het ook te bevestigen. Maar is het waar? Toen Brueghel en Descartes leefden, was de kennis over de cognitieve mogelijkheden van dieren erg beperkt. Het hoe en waarom van dierlijk gedrag werd nauwelijks bestudeerd. Het is merkwaardig, maar zelfs van dieren waarmee de mens al duizenden jaren samenleefde, zoals katten, honden en runderen, begreep men bitter weinig. Het is pas dankzij Charles Darwins evolutietheorie dat hierin verandering kwam. Darwin maakte het mogelijk om het gedrag van dieren wetenschappelijk te bestuderen, vanuit het perspectief van evolutie door selectie. Toch duurde het tot in de twintigste eeuw eer dit op een ernstige manier van start ging, en ook dan waren er diverse filosofische en andere obstakels. Darwin zelf had er geen moeite mee om het over de emoties en de mentale vaardigheden van dieren te hebben, maar onderzoekers in een groot deel van de twintigste eeuw bestudeerden dieren alsof het robots waren, zonder gevoelens of cognitieve vaardigheden. Ze accepteerden de evolutionaire geschiedenis van dieren, maar verwierpen dierlijke gevoelens, emoties en mentale mogelijkheden als onwetenschappelijk. Wetenschappers moesten zich hoeden voor zogenaamde antropomorfe projecties, zoals het toekennen van emoties en bewustzijn aan dieren. Het paradigma van waaruit men dieren bestudeerde was een vreemde mix van Darwin en Descartes. Het leverde enerzijds formidabele inzichten op, zie bijvoorbeeld het werk van Niko Tinbergen over meeuwen en stekelbaarsjes en dat van Konrad Lorenz over ganzen. Daartegenover staat dat hun aanpak het onderzoek naar wat er in het hoofd van dieren omgaat lange tijd onmogelijk maakte. Dat veranderde pas toen de Britse primatologe Jane Goodall haar eerste onderzoeksresultaten publiceerde. Goodall begon in 1960 in Tanzania chimpansees in het wild te bestuderen. Het was de eerste keer dat dit gebeurde. Bijgevolg is vrijwel alle betrouwbare kennis over chimpansees pas verworven na 1960. Hetzelfde geldt voor de andere mensapen, de gibbon, de gorilla, de orang-oetan, en de bonobo, een afzonderlijke chimpanseesoort. Jane Goodall stelde vast dat chimpansees takken ontdoen van hun bladeren, om er vervolgens termieten mee te vangen. Dat komt erop neer dat ze werktuigen maken en gebruiken. Goodall stuurde haar bevindingen naar haar mentor, de beroemde antropoloog Louis Leakey. Die begreep meteen het immense belang ervan. Hij schreef in een eerste reactie: “We zijn nu verplicht om ofwel werktuigen ofwel de mens anders te definiëren, ofwel moeten we chimpansees als mensen aanvaarden.”
Er is veel gebeurd sinds Goodalls eerste spectaculaire getuigenissen. Ze zag dat chimpansees eigen persoonlijkheden hebben, net zoals mensen. Sommige zijn zeer assertief en dominant, andere verlegen en volgzaam. Er zijn er die creatief en slim zijn, en er zijn er die dat minder zijn. Ze maken nog andere werktuigen dan stokjes om termieten te vangen, zoals sponzen om water mee op te deppen, en ze gebruiken stenen zoals een hamer en aambeeld om noten te kraken. De kennis die ze verwerven, geven ze door aan de volgende generatie. Met andere woorden, chimpansees hebben wel degelijk cultuur, en net zoals bij mensen is die cultuur verschillend tussen de onderlinge populaties en generaties. Vijftig jaar na Goodalls pionierswerk is dit min of meer aanvaard. Ook is duidelijk dat mensapen een rijk en complex sociaal en emotioneel leven hebben. Ze kennen jaloezie, intriges, ze sluiten coalities, ze rouwen, kennen diepe vreugde en verdriet, enzovoort. Het reilen en zeilen van een groep chimpansees leest zoals het script van een soap waaraan geen einde komt. Goodall gaf de chimpansees die ze bestudeerde individuele namen, wat wetenschappelijk aanvankelijk omstreden was, maar intussen ingeburgerd is.
Ook de cognitieve vermogens van chimpansees zijn veel indrukwekkender dan wat Descartes vermoeden kon. Zo stelde Goodall vast dat groepjes chimpansees op een gecoördineerde manier jagen op franjeapen, alsof ze vooraf afgesproken plannen uitvoeren. Ze delen ook het vlees van de aapjes die ze vangen, wat een van de kenmerken is van moraliteit. Vele onderzoekers, waaronder meerdere Belgen, verrijkten de voorbije decennia onze kennis over onze naaste evolutionaire verwanten. Ze zijn tot heel wat meer in staat dan vroegere sceptici veronderstelden. Dus misschien is het tijd om Descartes’ opvatting definitief als achterhaald te beschouwen?
Het is en blijft een heet hangijzer in de wetenschap en filosofie. Ondanks de soms verbluffende vermogens die mensapen hebben, houdt Descartes’ scherpe standpunt over het fundamentele verschil tussen mensen en dieren grotendeels stand. Men is er immers niet op een echt overtuigende manier in geslaagd om mensapen taal aan te leren, hoewel meerdere pogingen zijn ondernomen. Maar er zijn barsten in de vroegere consensus over het standpunt dat apen geen taal kunnen aanleren. Een minderheid van experts denkt dat uit langlopende studies wel degelijk blijkt dat mensapen, in het bijzonder bonobo’s, een taalvermogen hebben dat vergelijkbaar is met het onze. De bekendste bonobo die taal zou hebben verworven is ongetwijfeld Kanzi, die in 1980 in gevangenschap is geboren. Kanzi’s adoptiemoeder, Matata, maakte deel uit van een experiment om bonobo’s taal aan te leren door middel van een bord met symbolen erop, een zogenaamd lexigram. Door op een symbool te klikken, weerklinkt het woord waar het symbool voor staat. Door meerdere symbolen na elkaar aan te klikken, kunnen in principe zinnen worden gevormd. Kanzi was als kind in de ruimte aanwezig waar men experimenteerde met Matata, maar hij nam zelf niet aan het onderzoek deel. Op een zekere dag, toen Matata afwezig was, begon Kanzi het lexigram spontaan te gebruiken. Het bleek dat hij verschillende symbolen die men zijn moeder probeerde aan te leren, functioneel kon aanwenden. Ondertussen kent hij enkele honderden symbolen, waarmee hij betekenisvol communiceert. De onderzoekster die van meet af aan met het onderzoek van Kanzi was betrokken heet Sue Savage-Rumbaugh. Ze twijfelt er niet aan dat Kanzi taal heeft verworven, in de volle betekenis van het woord. Ze schreef er enkele boeken over voor het grote publiek, waaronder Kanzi. The Ape at the Brink of the Human Mind (1996). Toen ik dat boek ongeveer vijftien jaar geleden las, vond ik het zeer overtuigend. Naderhand ben ik weer gaan twijfelen. Dat Kanzi een zeer bijzonder dier is, staat buiten kijf. Zo is hij ondertussen in staat om hout bij elkaar te sprokkelen en met lucifers of een aansteker een vuurtje te stoken. Ook kan hij met een zelf uitgezochte steen een andere steen bewerken, tot hij een scherpe afslag heeft die hij als een mes kan gebruiken. Vervolgens snijdt hij met zijn stenen mes een touw door, zodat hij aan het voedsel geraakt dat in een kist zit. Hoewel sommige experts betwisten dat Kanzi doelgericht tewerk gaat bij het bewerken van stenen, zijn de filmbeelden ervan en de wetenschappelijke artikelen erover toch indrukwekkend. Het maken van vuur en van stenen werktuigen zijn cruciale elementen in de evolutionaire ontwikkeling van de mens. Dat een bonobo dit kan is spectaculair, en lijkt de ondertitel van het boek van Sue Savage-Rumbaugh - The Ape at the Brink of the Human Mind - te ondersteunen. Daar staat tegenover dat Kanzi alles leerde in gevangenschap, niet van andere bonobo’s maar van zijn begeleiders. Mensapen die in het wild een vuurtje stoken of vuistbijlen maken, zijn voorlopig door niemand waargenomen. Het zou zo goed als een mirakel zijn mocht men in het regenwoud een groepje barbecueënde bonobo’s aantreffen. Sceptici, kortom, beweren dat het bewezen is dat Kanzi slim genoeg is om complexe gedragsvormen aan te leren, maar meer ook niet. In wezen zou er niet zo veel verschil zijn tussen wat Kanzi doet en wat bijvoorbeeld honden of olifanten in het circus doen.
Het is geen eenvoudige kwestie, en bij discussies erover lopen de gemoederen al snel hoog op. Dat laatste is ongetwijfeld mede te wijten aan het feit dat het onderzoek naar de vermogens van Kanzi ook iets over onszelf zegt. Eeuwenlang hebben filosofen, theologen en wetenschappers geprobeerd om een radicale scheiding tussen mensen en dieren te bewerkstelligen. Dieren hebben geen ziel, geen rede, geen taal, geen technologie, geen bewustzijn, geen cultuur, geen besef van de dood, geen kunst, geen wetenschap, geen religie, enzovoort. Van meerdere van die eigenschappen weten we ondertussen dat ze niet zo uniek menselijk zijn als men dacht. Zoals al bleek uit de visie van Descartes speelt taal al lang een bijzondere rol in dit debat, dat zowel over de eigenschappen van dieren gaat, als over de vraag wat het precies betekent om een mens te zijn. Welnu, kunnen we uit het onderzoek naar het taalvermogen van Kanzi besluiten dat ook taal, net zoals bijvoorbeeld technologie en cultuur, niet uniek menselijk is? Ik betwijfel het. In zijn boek Het Taalinstinct (1995) maakt Steven Pinker de volgende vergelijking. Er zijn dieren die zeer hoog en ver kunnen springen, of van de ene boom naar de andere kunnen zweven. Wat die dieren doen is indrukwekkend, maar het zou fout zijn te zeggen dat ze kunnen vliegen. Kanzi’s communicatieve vermogens zijn bijzonder, maar taal, zoals mensen die hebben, is het waarschijnlijk niet.
Sommigen vrezen dat hierdoor chimpansees, bonobo’s en andere mensapen voor altijd buiten de morele cirkel vallen die hen bepaalde basisrechten zou garanderen. Zolang we niet erkennen dat ze taal hebben, kunnen we hen blijven vangen en opsluiten in dierentuinen, hen in circussen laten optreden, er proeven op doen in laboratoria, enzovoort. We moeten de kloof dichten tussen ons en hen, door toe te geven dat ze taal hebben, evenals andere belangrijke menselijke eigenschappen. Wie hun taalvermogen niet erkent, wil eigenlijk de kunstmatige afstand tussen ons en hen in stand houden, zo vrezen diegenen die geloven in Kanzi’s taalvermogen.
Het kan dat sommige sceptici hierdoor gemotiveerd zijn, maar ik vind het een vreemde redenering. Elke soort heeft unieke eigenschappen, anders zouden we niet over afzonderlijke soorten kunnen spreken. Taal kan best een unieke menselijke eigenschap zijn, net zoals het uniek is voor appelbomen om appelen te produceren. Dat mensapen geen taal hebben, maakt hen moreel niet minderwaardig. Ze kunnen cognitief hoe dan ook veel meer dan een menselijke baby bijvoorbeeld, of dan iemand die aan Alzheimer lijdt en zichzelf, anders dan mensapen, niet meer in de spiegel herkent. Hun sociaal, emotioneel en gevoelsleven is rijk en complex.
Net zomin als we demente bejaarden in een kooi stoppen of er proeven op uitvoeren, zouden we dat ook niet moeten doen met mensapen. Ook zonder taal zijn het formidabele wezens. We moeten ze met rust laten en hun habitat beschermen, zodat ze hun leven kunnen leven zoals zij dat zelf willen. Of ze taal hebben of niet, speelt daarbij geen enkele rol.
